Aan het einde van les 2 is bekend:
|
||
Zodra Excel geopend is zal er een lege werkmap worden geopend met de naam Blad1, Blad2, sheet1 of iets dergelijks. Openen van een bestand
Het openen van een reeds bestaande werkmap kan door Ctrl+O. Het dialoogvenster ‘Openen’ verschijnt dan.
Hierin kan de gebruiker de map selecteren en een bestand selecteren om te openen. Dezelfde actie kan
uitgevoerd worden door in de werkbalk standaard op Gegevens invoeren Boven de cellen staan de kolomaanduidingen in letters, en links ervan staan de rijaanduidingen in cijfers. De cel linksboven heet A1. In iedere cel kunnen gegevens ingevoerd worden. Er zijn verschillende gegevenstypen mogelijk: tekst, getallen, formules, hyperlinks.Laten we beginnen met een kleine tabel als voorbeeld: |
![]() |
|
Deze tabel bestaat uit vier kolommen met tekst en getallen. In cel A1 typ je "Regio" en je drukt op enter. Je staat dan in cel A2. Klik met de muis in cel B1 en typ "Verkoper". Klik dan op tab en je gaat naar cel C1. Klik nogmaals op tab en je staat in cel D1. Typ daarin "Aantal", houdt vervolgens de Shift ingedrukt en druk dan weer op tab. Je gaat dan een cel naar links. Typ in die cel "Product". Neem vervolgens de hele tabel over, maar rechtsonder zet je géén 465 neer! Als je cel D14 selecteert, klik dan in de menubalk op de op de Standaard werkbalk. Druk nog niet op enter! Je ziet dan dat
Excel in de cel een formule neerzet: =SOM(D2:D13), en dat de selectie van die formule een knipperende
lijn er omheen heeft gekregen. Onder de formule staat de syntax of opbouw van de formule. Daarover meer in les 4.
|
De tabel is nu nog wat kaal, maar daar kan snel verandering in worden gebracht. Selecteer een willekeurige cel in de tabel, en klik in de menubalk op Opmaak, en kies het submenu AutoOpmaak. Je ziet dan een venster staan met daarin standaard een aantal tabelopmaken. Hierboven is gekozen voor "lijst 3", maar anderen zijn ook mogelijk. Over het opmaken van cellen hier meer. |
|
Je hebt tijdens het typen waarschijnlijk gezien dat na het typen van één of twee letters Excel gelijk een voorstel doet voor het gehele woord. Dit komt omdat het Automatisch aanvullen voor celwaarden geactiveerd staat. |
Als je wilt dat Excel je helpt met de formule omdat je de syntax niet weet, dan kun je ook op de fx klikken voor de formulebalk. Er verschijnt dan een venster waarin een categorie gekozen kan worden voor een bepaalde functie. Meer hierover in les 4. |
|
De ingevoerde formule is de som-formule. Hetzelfde resultaat (465) kan met diverse formules bepaald worden: =10+20+50+40+60+50+35+70+50+40+30+10 =Som(10;20;50;40;60;50;35;70;50;40;30;10) =D2+D3+D4+D5+D6+D7+D8+D9+D10+D11+D12 | Zoals te zien is begint iedere optelling met een =. Het grote nadeel van de eerste twee formules, is dat als de waarde van bijv. cel A3 wijzigt, ook de formule aangepast moet worden. Tevens is de kans op tikfouten groot. De derde optie is flexibeler omdat de optelling direct wijzigt wanneer de inhoud van één van de zeven cellen verandert. Het is wel een bewerkelijke formule waarbij de kans op tikfouten groot is. Het is ook lastig te zien of wel alle cellen geselecteerd zijn. Als je tevens weet dat een formule maximaal 1.024 karakters mag bevatten, is de conclusie duidelijk: de formule moet zo compact mogelijk zijn, en hierbij verdient de voorkeur de gebruikte somformule. | |
Een formule bestaat uit argumenten. Argumenten worden van elkaar gescheiden met een ";". De SOM-formule kan maximaal 30 argumenten bevatten. De derde optie hierboven werkt dus tot en met cel D31. Daarnaast geldt dat een formule zo overzichtelijk mogelijk moet worden gehouden omdat anders later niet meer duidelijk is wat de formule precies doet. |
In het bovenstaande voorbeeld tellen we de getallen op van één bereik. Het is ook mogelijk de getallen op te tellen van meerdere bereiken. Ieder bereik geldt dan als een argument en dient telkens gescheiden te worden door een ";". =Som(D2:D3;D4:D12;D13) resulteert net als =Som(D2:D13) in 465. De bereiken hoeven niet aan elkaar vast te zitten, of slechts één kolom te bevatten. Ook =Som(A100:A777;B23:C789;IV1:IV65365) is mogelijk. |
|
Het optellen van argumenten of getallen in een functie zonder "som" gebeurt met een "+". Het is ook mogelijk om argumenten of getallen op elkaar te delen. Hiervoor gebruik je de "/". (slash forward).=D6/D3 resulteert in 3, maar ook =D6/20 resulteert in 3. Voor vermenigvuldigingen gebruik je de "*". Of de formule Product. =D2*D3 resulteert in 200, maar ook =Product(D2;D3) levert 200 op. En tenslotte kun je ook getallen van elkaar aftrekken: =D4-D2 resulteert in 40. Wanneer je meerdere wiskundige tekens in één formule gebruikt, houdt je dan aan de volgorde die je met wiskunde geleerd hebt! =D4-D3*D2 staat voor 50 - 20 * 10, en resulteert in -150, en niet in 300. Om een formule overzichtelijk te houden kun je gebruik maken van ronde haakjes. Als de uitkomst van bovenstaand voorbeeld wel 300 moet zijn, moet je de formule schrijven als =(D4-D3)*D2. |
|
|
CelopmaakNadat je gegevens hebt ingevoerd wil je ook dat het geheel er mooi uit komt te zien. We hebben net AutoOpmaak gebruikt om de tabel een mooier aanzien te geven, maar het is mogelijk iedere cel afzonderlijk of een cellenbereik identiek op te maken. De meest gebruikte opties staan op de werkbalk Opmaak: | ||
| ||
Afhankelijk van de instelling zie de werkbalk geheel of gedeeltelijk. Lees hier hoe je de werkbalk volledig kunt weergeven. Van links naar rechts: Je kunt rechts van Arial klikken op het driehoekje om een ander lettertype te kiezen. Daarnaast kun je de puntsgrootte wijzigen. De B staat voor het vet (Bold in het engels; sneltoets: Ctrl+B) maken van de tekst. De I staat voor cursief (Italic; sneltoets: Ctrl+I) en de U voor onderstreept (underline; sneltoets: Ctrl+U). |
Ingevoerde tekst staat standaard links uitgelijnd. Getallen daarentegen staan rechts uitgelijnd. Als je die toch links uitgelijnd wilt hebben klik je op de lijntjes rechts van de U. Wil je de inhoud centreren dan klik je op het tweede icoontje met lijntjes, en als je de inhoud rechts wilt uitlijnen, klik je op de meest rechtse. Het is mogelijk een aantal cellen samen te voegen zodat de selectie zich gedraagt als één cel. Dit kun je doen om de titel boven een tabel altijd in het midden van de tabel te houden ongeacht de breedte van de kolommen. Selecteer een aantal cellen waarvan alleen de meest linkse gevuld is, en klik dan op het vierkantje met de a erin. De invoer wordt dan gecentreerd over de geselecteerde cellen. |
|
Wanneer je bedragen hebt ingevoerd als getallen, kun je ze met één druk op de knop een valutateken meegeven. Dit gaat met het icoontje Valuta. Rechts daarvan zit de knop waarmee je van de getallen percentages kunt maken. Let op. 1 wordt 100%. Wanneer je grote getallen ingevoerd hebt, is het overzichtelijk om per duizend een punt te zien. Dit gaat met de icoon Duizendtalnotatie. Standaard worden dan ook twee decimalen getoond. Met de volgende twee icoontjes kun je meer of minder decimalen laten zien. Met de volgende twee icoontjes kan de inhoud van een cel opgeschoven worden naar links of naar rechts. Dit heet inspringen en overschrijft het links en rechts uitlijnen en het centreren. |
Iedere cel heeft vier randen. Standaard zie je in de werkmap lichtgrijze randen die niet afgedrukt worden. Via de derde knop van rechts activeer je de werkbalk Randopmaak:
|
|
De icoontjes spreken voor zich, maar je moet je wel realiseren dat de rechterrand van cel A1 gelijk is aan de linkerrand van B1. Wil je de werkbalk zwevend boven je werkblad hebben, sleep het dan naar beneden door de linker muisknop ingedrukt te houden op de puntjes en beweeg dan de muis naar beneden. Overigens kun je dan nog steeds de werkbalk opvragen via de knop Randopmaak. Er verschijnen nog meer mogelijkheden wanneer je op "Randen tekenen..." klikt. |
Tenslotte kun je de cel of de invoer in een cel een kleur geven. Wanneer je op het emmertje met verf klikt, wordt de cel geel. Klik je op de A dan wordt de invoer rood. Wil je die kleur veranderen, klik dan op het driehoekje rechts om een andere kleur te selecteren. Je kunt daar ook kiezen voor ‘geen opvulling’ of ‘automatisch‘ om de standaard weer te gebruiken. |
|
Wanneer je - voorlopig - klaar bent met je werkmap, moet je het bestand nog opslaan. Dit kan op diverse manieren. Op de werkbalk Standaard, kun je klikken op de diskette. Dit is het derde icoontje van links. Je kunt ook de sneltoets Ctrl+S gebruiken, of via de menubalk klikken op Bestand - Opslaan als.... Je krijgt dan het volgende venster te zien waarin je de locatie moet kiezen, de naam van het bestand moet invullen en het type moet kiezen. |
||
|
||
| De vier weergegeven opties zijn voor deze cursus genoeg. Als je de bestandslocatie hebt gekozen en het bestand een naam hebt gegeven dan kun je op de knop Opslaan klikken. Je ziet dan in de Titelbalk (zie les 1) de naam van het bestand zien. Wanneer je niet de extensie xls ziet staan, dan is er in de Windows-instellingen bepaald dat de extensie van bekende bestandsformaten niet getoond wordt. Klik hier om te lezen hoe je dat kunt veranderen. | ||
EINDE LES 2 |
||